‘Ik was een echte Sneker jonge’, zei Ids Boot wel eens van zichzelf. En terecht. Hij was helemaal opgenomen in de gemeenschap van Sneek, waar hij terechtkwam toen hij een half jaar oud was. Hij voelde zich er thuis, vond er zijn werk, hobby’s en vrijwilligerswerk, trouwde met een stadgenote, Zus Visser, met wie hij vier kinderen kreeg. En bleef er levenslang wonen.

Van alle dossiers die het Bureau Oorlogspleegkinderen na de oorlog heeft aangelegd, was hij de bekendste onbekende, bij wie het ook nog eens het langst duurde voordat hij geïdentificeerd werd als het persoontje dat hij was: David Willem Vischjager.

Hij was het eerste kind van Elias Vischjager (1914) en Marianne Scheffer (1919), geboren 2 mei 1943 te Amsterdam. Vlak voor de grote, beslissende razzia op 26 mei dook Marianne met haar drie weken oude baby onder bij haar broer Hartog Scheffer, ook in Amsterdam. Die was gemengd gehuwd, had de zorg voor eigen kinderen en was daarom voorlopig vrijgesteld van aanmelding. Het is niet bekend waar Elias toen verbleef. Later bleek dat hij in september van dat jaar bij een razzia opgepakt werd en via Westerbork op 19 oktober gedeporteerd.

Marianne werd met haar zoontje door verzetsmedewerkers ondergebracht in Nieuw-Vennep in de gemeente Haarlemmermeer. Van het ene adres naar het andere, wegens gevaar voor veelvuldige razzia’s in De Meer. Soms sliep ze in de herfst ’s nachts met het kind onder de open hemel tussen het bietenloof. Tenslotte werd ze door het gezin van Sam en Ant Breyer opgenomen in hun landarbeidershuisje, dat behalve vijf grote zoons en gehandicapte jongste dochter al negen Joodse onderduikers herbergde. Op voorspraak van hun zoon Piet. Hij en Marianne voelden zich sterk aangetrokken tot elkaar. Maar kleine David kon er niet meer bij. Via contactpersonen vroeg Marianne Hartog Scheffer het jongetje terug te komen halen. Dat deed hij, maar zeer tegen zijn zin en hij eiste dat zij een acte van afstand tekende, die hij bij zich had. Zij weigerde maar de andere onderduikers overreedden haar om erop in te gaan; zij zouden naderhand wel verklaren dat ze onder dwang getekend had.

Na de oorlog probeerde zij te achterhalen waar haar kind gebleven was. Dat leidde tot onverkwikkelijke taferelen tussen broer en zus, wederzijdse beschuldigingen, heftige ontkenningen, halve waarheden en groteske leugens. Het was een kluwen die door het Bureau OPK slechts met de grootste moeite en vasthoudendheid ontward kon worden. Duidelijk werd wel dat Hartog uiteindelijk zijn neefje zelf bij de crèche in Amsterdam had afgeleverd. Om van hem af te zijn. Of, zoals hijzelf beweerde: ‘Omdat ik wist dat daar veel kinderen uit gesmokkeld werden.’

Een van de kinderverzorgsters nam het zieke kind mee naar de Joodse Invalide. Net voordat die instelling door de Duitsers ‘geruimd’ zou worden, werd hij door leden van een studenten-verzetsgroep naar Sneek gebracht, waar hij liefderijk opgenomen werd in het gezin van Jelte Boot, gemeentewerkman – en verzetsman – en zijn vrouw Hotske Hospes. Ze beschouwden hem als hun gewenste nakomertje. Hun zoon van negentien en dochters van zeventien en dertien lentes hielden van hem als hun eigen broertje, dat hun familienaam kreeg en de voornaam van Hotskes broer Ids.

Kleine Ids had een forse groeiachterstand en was aanvankelijk nog vaak ziek. Maar hij werd verzorgd, beschermd en gekoesterd en groeide gelukkig op in de veilige schoot van het gezin Boot. Wel was en bleef hij nerveus en stotterde.

Toen eindelijk vastgesteld kon worden dat het onbekende kind in Sneek en David Willem Vischjager één en hetzelfde persoontje waren, werd ook de echte moeder, Marianne, daarvan in kennis gesteld. Zij woonde na de oorlog samen met Piet Breyer en trouwde met hem toen bekend werd dat haar echtgenoot Elias kort voor het einde van de oorlog bij een ontsnapping uit een kamp ‘auf der Flucht erschossen’ was…

Wonderbaarlijk genoeg hebben alle tien Joodse onderduikers van de uitzonderlijk zorgzame en voorzichtige, diepgelovige Sam en vooral Ant Breyer de oorlog overleefd!

Er was contact tussen de echte moeder en de onderduikgevers, maar dat verliep stroef. Marianne stemde ermee in dat haar zoontje voorlopig bij zijn heit en moeke bleef. Voorlopig werd voorgoed, want Jelte en Hotske kregen op hun verzoek eerst de voogdij over hun beschermeling en na uitvoerig onderzoek tenslotte het pleegouderschap. Toen Ids bij het volwassen worden een paar keer moeilijkheden had ondervonden omdat hij onder de naam Vischjager geregistreerd stond, die hij niet direct herkende, besloten ze er werk van te maken om zijn naam officieel te laten veranderen in Boot. Ids had daar toen geen bezwaar tegen. Later betreurde hij het wel dat het niet Vischjager gebleven was, de naam van zijn ‘vroegere’ vader, zoals heit het noemde. De vader die hij nooit gekend had maar naar wie hij soms een vreemd, schrijnend heimwee voelde, diep in zijn borst.

Bij het ouder worden ondervond hij ook de gevolgen van een oorlogstrauma, waar hij toen voor het eerst van hoorde. Lichamelijk uitten de gevolgen zich als hart- en andere kwalen. Ervaringen en herinneringen van lang geleden, die hij onbewust moest hebben opgeslagen, kwelden hem. Zelfs ondervindingen van situaties die hij nooit had meegemaakt: in een nachtmerrie zag hij hoe zijn hele gezin met geweerkolven uit huis gehaald en een overvalwagen ingedreven werd… Het lukte hem de problemen enigszins te beheersen met begrip en hulp van vrouw en kinderen, de huisarts en zijn werkgever (het Gemeentelijk Gasbedrijf, waar hij magazijnmeester was), en vooral jarenlange begeleiding van het Joods Maatschappelijk Werk.

Een eyeopener en steun in de rug vormde de deelname aan de conferentie Het Ondergedoken Kind in Amsterdam, in 1992. Door zich van zijn identiteit bewust te worden en de ontmoeting met honderden vroegere onderduikkinderen die dezelfde of soortgelijke ervaringen hadden als hij, begon hij zich te profileren als Jood. Met een nieuw zelfbewustzijn trad hij de wereld tegemoet. ‘Ik kom ook meer voor mezelf op’, zei hij. Kroon op het werk was zijn deelname aan het initiatief om in Sneek een gedenkmuurtje op te richten voor de omgekomen Joodse burgers. Niet vrij van zenuwen maar toch frank en vrij sprak ‘de echte Sneker jonge’, onmiskenbaar Joods, de genodigden toe, onder wie velen een hoge positie in de maatschappij innamen.

Hij stierf aan kanker in 2004. Meer dan 400 mensen bewezen ‘onze Ids’ de laatste eer.